Ik leerde al vroeg om alles te voelen van iedereen om me heen, en tegelijk mijn eigen gevoelens zo klein mogelijk te maken. Stil zijn. Aanpassen. Glimlachen. Als kind leer je dat sneller dan je zou willen, als de situatie daarom vraagt.
Wat ik daaruit meenam, was een diepgeworteld idee. Mijn gevoelens waren te veel. Te intens, te lastig, te ingewikkeld om aan iemand anders te laten zien. Dus verstopte ik ze. Niet omdat iemand letterlijk zei “hou op met huilen”, maar omdat ik had geleerd dat het veiliger was om het niet te laten zien.
Dat idee, dat er een soort maximum zit aan hoeveel gevoel een kind mag laten zien voordat het “te veel” wordt, zit dieper in ons onderwijssysteem en onze opvoeding dan we vaak beseffen. Een kind dat boos wordt, is druk. Een kind dat verdrietig blijft, is aanstellerig. Een kind dat vragen blijft stellen, is lastig.
Maar een kind is nooit te veel. Een kind reageert op wat er gebeurt. Is die reactie groot, dan zegt dat iets over wat er gebeurt. Niet over een defect in het kind.
Voor docenten en begeleiders: het helpt niet om een kind te leren zijn gevoelens kleiner te maken. Het helpt om een kind te laten voelen dat er ruimte is, hoe groot het gevoel ook is. Dat is misschien wel het belangrijkste wat ik zelf had willen horen, in al die jaren dat ik dacht dat stil zijn de enige optie was.
Wanneer heb jij voor het laatst tegen een kind gezegd dat zijn gevoel er helemaal mag zijn?
Herken je dit binnen jouw organisatie?
Boek de keynote “Ze zagen het pas in groep 8” voor jouw team of publiek.